De langoustine - ook wel de Noorse kreeft genoemd - komt voor in de Atlantische Oceaan van IJsland tot aan Noord-Afrika en zelfs in de Middellandse Zee. Uiterlijk lijkt hij veel op de garnaal, maar hij bezit echter lange poten en scharen. De langoustine heeft een fantastische smaak en kan ook zeer goed rauw worden gegeten, mist hij kraakvers is.

Langoustines worden maximaal 25 cm lang en hun lengte verschilt per visgrond. Deze kreeftjes zijn afhankelijk van hun leefgebied roze-oranje tot oranje van kleur met donkere vlekken op de scharen. Vaak wordt de langoustine verward met de grote garnaal, de gamba. Vooral als alleen de staarten worden verkocht, zijn ze moeilijk van elkaar te onderscheiden. De langoustine is gemakkelijk herkenbaar aan zijn lange, dun gerekte scharen en vooruitstekende stekels en voelsprieten op zijn kop. De scharen zijn bovendien verschillend van opbouw.

De aanvoer van de langoustine is het gehele jaar door. Je kunt ze vers kopen (zelden levend), gekoeld of diepgevroren. In sommige gevallen worden alleen de staarten aangevoerd. De piekperiode in de aanvoer verschilt van gebied tot gebied; in de meeste gevallen zijn de vangsten het kleinst in de winter en het grootst in zomer en vroege herfst. In de handel zijn de periodes voor Pasen en Kerst erg druk.
Nederlandse vissers proberen zoveel mogelijk de schaaldieren intact aan te voeren, vers op ijs. Dat stelt extra eisen aan het vissen, omdat de schaal en scharen van de kreeft niet mogen breken in de netten en aan boord. Van beschadigde langoustines worden alleen de staarten verhandeld.